Wanneer je onverhoopt verdwaald lijkt te zijn kun je met een goede kaart en een spiegelkompas bijna tot op de meter nauwkeurig bepalen waar je bent. Hiervoor moet je echter wel zicht hebben op zaken die je zowel op de kaart als in het echte leven kunt zien. Denk hierbij aan kerktorens, hoeken van weilanden, kruisingen van wegen of waterwegen, bergtoppen of een inham van een meertje.
Werkwijze
Om te bepalen wat je locatie is, wil je eerst je kaart uitlijnen op het noorden. Dit doe je door eerst je kompas in te stellen op het noorden. Je wilt dus de N op je kompasroos precies in het midden net onder de spiegel hebben. Vervolgens leg je de kaart op een zo vlak mogelijke ondergrond. (Nooit op een bankje of picknicktafel aangezien deze vaak spijkers en schroeven bevatten. Dit kan een afwijking creëeren in het magnetisch veld en daardoor een verkeerde meting geven.) Leg je kompas strak langs een verticale rasterlijn. Zorg dat de spiegelkant van je kompas zich aan de bovenkant van de kaart bevindt. Draai nu net zo lang aan de kaart totdat de noord naald precies tussen de twee streepjes of stipjes zit. Is dit het geval, dan is het kaartnoorden gelijk aan het magnetische noorden.
Ga achter je kaart staan en kijk of je een markant punt op de kaart ziet wat je ook in het echt kunt zien. Laten we ervan uitgaan dat je in de verte een kruising van wegen ziet. Houd je kompas vlak en met een gestrekte arm voor je uit. Zorg dat je de spiegel zo hebt dat je de kompasroos van bovenaf kunt zien. Kijk vervolgens door je vizier recht naar de kruising. Waarschijnlijk zit je noord naald nu niet tussen de twee stippen of streepjes. Draai net zolang aan je kompasroos totdat je noord naald zich hier precies tussen bevindt. Leg je kompas op de kaart en zorg dat de zijkant van de basisplaat strak langs de kruising ligt. Draai vervolgens je kompas tot de noord naald weer tussen de strepen zit en de zijkant nog steeds langs de kruising is. Trek met een pen of potlood een lijn langs je kompas aan de zijde waar de kruising zich bevindt. Nu weet je dat je ergens op deze lijn bent, want vanaf waar je staat heb je zicht op de kruising. De vraag is alleen: waar op de lijn? Om hierachter te komen doe je het hele proces nog een keer met een ander markant punt, het liefst in een andere richting. Vervolgens zullen de twee lijnen elkaar kruisen. Theoretisch ben je op die kruising van lijnen. Om zeker van je zaak te zijn zou je het proces nog een keer kunnen doen met een derde markant punt. Schrik niet als de derde lijn niet exact door het snijpunt van de eerste twee lijnen gaat. Het kan zijn dat je bijvoorbeeld de kaart iets hebt verschoven of het kompas niet volledig vlak hebt gehouden. Mocht je een driehoek hebben gecreëerd, dan kun je ervan uitgaan dat je in die driehoek bent.
In een rechte lijn lopen
Nu je weet waar je bent kun je op de kaart kijken om te bepalen waar je naartoe wilt. Heb je een punt gevonden, bijvoorbeeld een schuilhut of een meertje, leg je kompas dan strak langs de punten op de kaart waar je bent en waar je naartoe wilt. Vervolgens draai je net zo lang aan de kompasroos totdat je noord naald weer tussen de twee streepjes zit. Ga nu weer achter de kaart staan en draai jezelf met kompas in een gestrekte arm totdat je in de spiegel ziet dat je noord naald tussen de twee streepjes is. Kijk vervolgens door het vizier of je een markant punt ziet (bijvoorbeeld een bepaalde boom of een kenmerkende rots). Nu kun je hier naartoe lopen zonder dat je de hele tijd op je kompas hoeft te kijken en daardoor bijvoorbeeld struikelt. Aangekomen bij het markante punt ga je aan de achterkant hiervan staan en schiet je een nieuw punt.
Obstakels
Wanneer je een obstakel tegenkomt, loop je tot je niet verder kan. Stel dat het obstakel links het makkelijkst te omzeilen is, draai je naar links met je kompas in gestrekte arm totdat je noord naald in de spiegel naar het oosten wijst. Je gaat echter dan westelijk (spiegelbeeld). Tel het aantal stappen dat je nodig hebt om langs het obstakel te komen. Stel dat je drie honderdachtenveertig stappen nodig hebt om langs het obstakel te komen. Ben je ervoor bij, dan draai je weer 90 graden en houdt dan de originele koers weer aan. Nu kun je doorlopen totdat je er in de lengte voorbij bent. Je hebt nu wel een afwijking van drie honderdachtenveertig stappen westelijk. Om dit te corrigeren moet je dus weer 90 graden draaien in oostelijke richting (in de spiegel dus westelijk) en hetzelfde aantal stappen teruglopen. Nu draai je weer en houd je de oorspronkelijke koers aan. Je hebt nu een minimale afwijking van je koers.